| # | inventaris | item | datum |
|---|---|---|---|
| 2831 | DC.1/53.0.0 | Akte (voorzien van twee papieren zegels) verleden voor de Antwerpse schepenen Anthoni Joseph De Smidt en Nicolaes Joseph van Halmale betreffende de nalatenschap van de Antwerpse koopman/bankier Johan de Coninck (1619-1684). Zo verklaarde Isabella de Coninck (° 1659 - geestelijke dochter), geassisteerd door haar broer en testamentair voogd Joannes Franciscus de Coninck (° 1655), een som te hebben ontvangen van 45.000 gulden. Deze akte werd ondertekend door stadssecretaris Maximinus Gerardi. | 01-07-1682 01-07-1682 |
| 2832 | DC.1/54.0.0 | Notariële akte betreffende de huwelijksdote (45.000 gulden) van de Antwerpse koopman/bankier Johan de Coninck (1619-1684) aan zijn dochter Anna Maria de Coninck (° 1657), die eerder dat jaar in het huwelijksbootje stapte met Cornelis Du Mont. Deze akte werd opgemaakt door de Antwerpse notaris Ambrosius Sebille in het bijzijn van de getuigen Hendrick Dassonvil en Jan Suijssers. | 09-08-1675 09-08-1675 |
| 2833 | DC.1/55.0.0 | Notariële overeenkomst aangaande de scheiding en deling van de nalatenschap van priester Joannes Franciscus de Coninck (° 1655), oom van de aanwezige erfgenamen te weten: Maria Mechtildis de Coninck, geassisteerd door haar man Paschier Joannes Augustinus van den Cruyce (1679-1758 - heer van Aartselaar en Cleydael, gewezen buitenburgermeester en thans schepen van Antwerpen), Anna Theresia de Coninck, geassisteerd door haar man Albertus Josephus van den Cruyce (kastelein), Isabella de Coninck (begijn te Antwerpen), Joanna Maria de Coninck en François de Coninck (bankier); allemaal kinderen van de gewezen aalmoezenier en bankier Jacobus de Coninck (1661-1724) en diens vrouw Maria Mechtildis Schilders. De legaten stamden in feite uit de erfenis van hun neef Jacobus Josephus Engelgraeve, die vervolgens aan wijlen Joannes Franciscus de Coninck (° 1655) werden nagelaten. Deze laatste liet op zijn beurt bij testament (opgesteld door wijlen notaris Joan Jacomo Haecx op 28/02/1724 te Antwerpen) de legaten na aan twee van zijn nichtjes. Zo ontvingen Anna Theresia de Coninck en Isabella de Coninck respectievelijk kapitaalrenten van 2.500 en 900 gulden (deze laatste ten laste van Henricus Van Troijen) en van 12.000 en 4.200 gulden. Deze schikking werd opgemaakt door de Antwerpse notaris Peeter Gerardi in het bijzijn van de getuigen Peeter Van Merlen en Joan Baptista Gerardi. | 30-01-1731 30-01-1731 |
| 2834 | DC.1/56.0.0 | Beschrijving van het grafmonument van wijlen Josephus de Coninck, zoon van de Antwerpse koopman/bankier Johan de Coninck (1619-1684) en diens tweede vrouw Helena Chauvin (1641-1698). De dierbare overledene had een som van 3.200 gulden uitgetrokken voor een grafmonument met als thema een dromende Sint-Jozef, die door de engel Gabriël wordt gewaarschuwd. Onderaan zouden eveneens twee engelen worden afgebeeld die het grafschrift/epitaaf in vergulde letters moesten ondersteunen. Tot slot zou het geheel overvleugeld worden door de Heilige Geest met een vergulde stralenkrans. Het grafmonument diende binnen de 15 maanden voltooid te worden en de overeenkomst werd ondertekend door Egidius de Coninck (broer), Ludovicus Franciscus de Coninck (broer), Michel Vandervoort en Jacobus Henricus Claessens (zwager). | 30-04-1717 30-04-1717 |
| 2835 | DC.1/57.0.0 | Scheiding en deling van de nalatenschap van Josephus de Coninck, zoon van de Antwerpse koopman/bankier Johan de Coninck (1619-1684) en diens tweede vrouw Helena Chauvin (1641-1698). Deze erfenis was opgedeeld in 3 verschillende kavels die vervolgens toegewezen werden aan Jacobus Henricus Claessens (zwager), Egidius de Coninck (broer) en Ludovicus Franciscus de Coninck (broer). De liggende gelden werden beheerd door de bankiers/kassiers Pedro Baut (1650-1736) en Jan Baptist Cogels (1663-1734). | 16-06-1717 12-12-1717 |
| 2836 | DC.1/58.0.0 | Testament van de zieke en bedlegerige Jan Carel de Coninck, zoon van de Antwerpse koopman/bankier Johan de Coninck (1619-1684) en diens tweede vrouw Helena Chauvin (1641-1698), waarin de testateur zijn moeder tot universele erfgename aanduidde. Het testament werd opgemaakt door de Antwerpse notaris Guillian Van Bredael in aanwezigheid van de getuigen Jan Blangh en Jaspar Rossem. | 22-05-1694 22-05-1694 |
| 2837 | DC.1/59.0.0 | Licentiaatsdiploma in de rechten, opgesteld in het Latijn, dat door de Leuvense universiteit werd uitgereikt aan Egidius de Coninck (1669-ca. 1740), de zoon van de Antwerpse koopman/bankier Johan de Coninck (1619-1684) en diens tweede vrouw Helena Chauvin (1641-1698). | 11-06-1692 11-06-1692 |
| 2838 | DC.1/60.0.0 | Schuldbekentenis (N° 7577) vanwege de Oostenrijkse keizerin Maria Theresia (1717-1780) ten aanzien van Egidius de Coninck, de zoon van de Antwerpse koopman/bankier Johan de Coninck (1619-1684) en diens tweede vrouw Helena Chauvin (1641-1698). In 1742 stonden de Staten van het graafschap Henegouwen aan de Oostenrijkse regering, die in de Zuidelijke Nederlanden vertegenwoordigd werd door de landvoogd Friedrich August graaf von Harrach-Rohrang (1696-1749), een lening toe van 500.000 gulden, die deels werd gedragen door de adel. Ook Egidius de Coninck stond een deel van zijn vermogen af en ontving hiervoor een jaarlijkse intrest van 5% (220 gulden), die hij kon opstrijken bij de (staats)bankier/verzekeringsagent James Dormer (1708-1758) te Antwerpen. Zijn zoon Jacob Albert Dormer, tevens het neefje van Egidius de Coninck, werd na de dood van zijn oom de nieuwe begunstigde. Deze akte werd ondertekend door notaris P. Cools. | 15-02-1743 15-02-1743 |
| 2839 | DC.1/61.0.0 | Schuldbekentenis (N° 7578) vanwege de Oostenrijkse keizerin Maria Theresia (1717-1780) ten aanzien van Egidius de Coninck, de zoon van de Antwerpse koopman/bankier Johan de Coninck (1619-1684) en diens tweede vrouw Helena Chauvin (1641-1698). In 1742 stonden de Staten van het graafschap Henegouwen aan de Oostenrijkse regering, die in de Zuidelijke Nederlanden vertegenwoordigd werd door de landvoogd Friedrich August graaf von Harrach-Rohrang (1696-1749), een lening toe van 500.000 gulden, die deels werd gedragen door de adel. Ook Egidius de Coninck stond een deel van zijn vermogen af en ontving hiervoor een jaarlijkse intrest van 5% (200 gulden), die hij kon opstrijken bij de (staats)bankier/verzekeringsagent James Dormer (1708-1758) te Antwerpen. Zijn zoon Jacob Albert Dormer, tevens het neefje van Egidius de Coninck, werd na de dood van zijn oom de nieuwe begunstigde. Deze akte werd ondertekend door notaris P. Cools. | 15-02-1743 15-02-1743 |
| 2840 | DC.1/62.0.0 | Schuldbekentenis (N° 7579) vanwege de Oostenrijkse keizerin Maria Theresia (1717-1780) ten aanzien van Egidius de Coninck, de zoon van de Antwerpse koopman/bankier Johan de Coninck (1619-1684) en diens tweede vrouw Helena Chauvin (1641-1698). In 1742 stonden de Staten van het graafschap Henegouwen aan de Oostenrijkse regering, die in de Zuidelijke Nederlanden vertegenwoordigd werd door de landvoogd Friedrich August graaf von Harrach-Rohrang (1696-1749), een lening toe van 500.000 gulden, die deels werd gedragen door de adel. Ook Egidius de Coninck stond een deel van zijn vermogen af en ontving hiervoor een jaarlijkse intrest van 5% (200 gulden), die hij kon opstrijken bij de (staats)bankier/verzekeringsagent James Dormer (1708-1758) te Antwerpen. Zijn zoon Jacob Albert Dormer, tevens het neefje van Egidius de Coninck, werd na de dood van zijn oom de nieuwe begunstigde. Deze akte werd ondertekend door notaris P. Cools. | 15-02-1743 15-02-1743 |